Boswachters en vrijwilligers tellen vogels

maandag 22 april 2013

Nationaal Park belangrijk broedgebied

Tientallen medewerkers van Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer tellen momenteel het aantal broedvogels in Nationaal Park Weerribben-Wieden. Staatsbosbeheer-boswachter Jeroen Bredenbeek ging donderdag 18 april op pad in De Weerribben. Wij mochten mee en hoorden knetterende winterkoninkjes en hartstochtelijk zingende nachtegalen.

 Een boswachter moet in ieder geval zes tot acht keer per jaar een ochtendmens zijn. Zo vaak vertrekt Bredenbeek in ieder geval  een uur voor zonsopkomst vanaf het voormalige kantoor van Staatsbosbeheer in Kalenberg-Noord naar zijn geliefde werkterrein. Het gebied bij het vlekje Nederland waarin hij vogels telt beslaat tweehonderd hectare. Daarvoor moet hij eerst ruim een kwartier varen. In het donker van de nacht vaart hij moeiteloos naar zijn aanlegplek. Bang voor tegenliggers hoeft hij op dit tijdstip ook niet te zijn.

Een stoere bink..
De harde wind is een grotere zorg, vertelt hij. “Dan hoor je zeker in open gebied de geluiden minder goed. Bovendien zijn vogels zelf stiller. Ze weten heel goed dat hun gefluit nu veel minder effect heeft. Mannetjes fluiten anders richting de vrouwtjes: ‘hier zit een stoere bink…’, maar dat heeft nu geen enkele zin”, vertelt Bredenbeek, die desondanks af en toe de afkorting van een vogelsoort op zijn kaart schrijft. Helemaal stil is het zeker niet. Hij herkent onder meer het gefluit van de kleine fitis en de tjiftjaf. Weidevogels laten zich minder horen. “Die komen helaas ook veel minder voor. Toen ik in de jaren negentig begon, waren er nog zeker honderd broedparen wulpen. Als er nu vijf zijn, is het veel. ‘Vervossing en bebossing’, geven wij altijd als oorzaak voor het verdwijnen van weidevogels als kievit en grutto.”
Langs de telroute van Bredenbeek, ligt her en der nog riet. In De Weerribben mogen rietsnijders nog tot 1 mei het karakteristieke product afvoeren. “Voor hen is het een historisch jaar…”, vertelt Bredenbeek, “voorheen had je 57’ers en 44’ers. In De Wieden maakten de rietsnijders bosjes van 57 cm in omtrek , in de Weerribben van 44 cm.. Voor de eenduidigheid werkt nu iedereen met 57, maar dat is voor de rietsnijders in dit gebied enorm wennen.”

Oerwouden van Nederland
Bredenbeek neemt een wankele plank die als bruggetje fungeert. Hij loopt een bos in. “Er wordt wel eens wat minderwaardig gedaan over de bossen in De Weerribben, maar ik vind dit de oerwouden van Nederland. Mensenhanden hebben hier bijna geen vat op gehad”, zegt de boswachter, terwijl hij onder meer ‘knetterende’ winterkoninkjes en ‘jubelende’ merels hoort. Hij haalt ondertussen een misverstand over trekvogels uit de wereld. “Mensen denken vaak dat die vogels maar heen en weer vliegen, terwijl er juist een hele duidelijke structuur is. Een vogel kiest altijd dezelfde plek uit voor broeden en nestelen, maar ook om te overwinteren. Wat dat betreft zijn het net mensen.”  
Vanuit het bos loopt Bredenbeek naar een stuk afgeplagd rietland. “Telers vragen ons of ze rietland mogen afplaggen. Meestal is er dan teveel bebossing, waardoor ze niet meer kunnen maaien”, legt hij uit. “Kun je goed slootje springen?”, vraagt hij vervolgens. Een flinke sprong is nodig om een nat stuk kragge te overbruggen. De boswachter springt moeiteloos over het Weerribben-vocht heen, zijn bezoek landt net wat te vroeg en zakt met één voet weg in de grond. Bredenbeek vertelt dat het contact tussen Staatsbosbeheer en de riettelers in tegenstelling tot het verre verleden tegenwoordig goed is. “Deels hebben wij dezelfde belangen: afplaggen is bijvoorbeeld goed voor de natuur. Er onstaan weer natte rietlanden, maar ook groeit hier meer goed riet.”
De boswachter nadert ondertussen Kalenberg. Hij wijst het fietspad naar Nederland aan. “Dat is de enige plek in De Weerribben waar je  een nachtegalenkoor kunt horen, omdat het pad op zand ligt in plaats van  veen is de ondergroei rijker. Daar komen nachtegalen op af. Iets verder in het voorjaar hoor je een hele rij nachtegalen op een rij. Dat is een prachtig gezang.”

Pesten
Bijna terug bij de boot wijst de boswachter naar de lucht. Een havik stijgt op, vermoedelijk op zoek naar een stevig ontbijt. Drie kraaien volgens de roofvogel onmiddellijk. “Kraaien en haviken hebben een bloedhekel aan elkaar. Die kraaien zijn nu puur aan het pesten, terwijl ze weten dat de havik hen eigenlijk de baas is. Daarom vliegen ze ook achter hem, zodat ze hem in het zicht kunnen houden.”

Tekst: Erik Driessen, www.varenindekopvanoverijssel.nl